zondag 26 januari 2014

Café Mondiaal 6 februari gespreksonderwerp 'Permacultuur'.



Persbericht


Café Mondiaal, 8de aflevering.
Donderdag 6 februari, aanvang 19.30 uur.
Café Pelt, Pancratiusplein 48, Heerlen.

Permacultuur


Permacultuur is een veel omvattend onderwerp dat vooral duidt op een zinvolle en betrokken manier invulling te geven aan duurzaamheid. Permacultuur strek zich uit van ‘eetbare’ tuin of bos (als tegenhanger van conventionele landbouw), via waterzuivering, energie, afvalverwerking, ecologische wonen, LETS (Local Exchange Trading System), tot sociale diversiteit, kennis delen en mensen bewust maken. 

Permacultuur biedt concrete handvatten voor een meer zelfvoorzienend leven, voor gemeenschapsvorming & sociale samenhang en voor inspiratie en betrokkenheid bij een veranderende wereld. Tevens biedt Permacultuur oplossingen voor het wereldvoedselvraagstuk, gezondere voeding (meer mineralen en geen kunstmest en geen chemische bestrijdingsmiddelen). Het is ook een manier van ontwerpen met als doel om ecosystemen te creëren waarbij de natuur als inspiratie genomen wordt. Permacultuur is meestal of wordt uiteindelijk een onderdeel van Transition Towns, als oplossing voor een lokale economie, veerkracht en onafhankelijk worden van fossiele brandstoffen die ooit opraken en enorm vervuilen. 
Helmut Steeman zal hierover een inleiding geven.

Kledingindustrie Bangladesh: het gaat te langzaam de goede kant uit.

Kledingindustrie Bangladesh: het gaat te langzaam de goede kant uit.

Nieuwsuur vergeet Nederlands kledingbranche erbij te betrekken.


Gisteren besteedden enkele Nederlandse nieuwsmedia (Journaal, 1Vandaag en Nieuwsuur) aandacht aan de ramp van het instorten van de kledingfabriek Rana Plaza in Savar, een voorstad van Dhaka in Bangladesh die nu een jaar geleden plaatsvond. Dit was de op een na grootste industriële ramp in de recente geschiedenis (de grootste was de giframp met dioxine in Bhopal?). Die aandacht is uitermate goed.

Het lijkt erop dat er langzaam verbeteringen zijn met betrekking tot de veiligheid en arbeidsomstandigheden van veel textielarbeiders. De woordvoerder van de organisatie van eigenaren / directeuren van de textielfabrieken (natuurlijk met een prachtig kantoorgebouw op de achtergrond) was echter erg terughoudend en stelde de legitimiteit en acties van de vakbonden ter discussie. Daarmee hield hij op een klassiek 19de eeuwse kapitalistische houding de boot af.

Aan verhoging van de lonen tot een enigszins aanvaardbaar niveau, was men nog niet toegekomen. Ook werden nog kinderen in beeld gebracht. Hier ligt nog een uitdrukkelijke opdracht voor onze kledingwinkelbranche om ervoor te zorgen dat de prijs die zij betalen voor de kleding uit Bangladesh (en andere lagelonenlanden) ook zodanig is dat de lonen daadwerkelijk fatsoenlijk zijn. Zij zullen ook moeten controleren dat een eventuele meerprijs niet in de zakken van de eigenaren / directeuren verdwijnt. Ik zie ze, gezien het kantoor en de uitingen van de woordvoerder, er zeker toe in staat om op de eerste plaats zichzelf te verrijken. Mij lijkt het goed om als vorm van maatschappelijk verantwoord ondernemen naast intensivering van controles, ook de vakbonden daar te steunen.

En dan Nieuwsuur. Zij vervlochten het bericht met een item over de meest moderne modeontwerpers van Nederland, met allemaal jonge couturiers. Op zich een aardig onderwerp en natuurlijk waren die jongeren zich bewust van het gebruik van goede grondstoffen. Maar zij ontwerpen en produceren alles in Nederland. En hebben dus helemaal geen binding met de kledingindustrie in ontwikkelingslanden. Dat is zoals een van hen het wat neerbuigend stelde 'confectie'. Nieuwsuur had veel beter in deze rapportage de Nederlandse kledingbranche aan haar jasje kunnen trekken!

donderdag 16 januari 2014

Belastingmaatregel oldtimers heeft al positief effect gehad.



Per 1 januari 2014 is de wegenbelasting voor de meeste ‘jonge’ oldtimers opnieuw ingevoerd. Dat zijn auto’s die tussen de 25 en 40 jaar oud zijn. Er zijn verschillende belastingregimes. De belasting zou van het bezitten van een oldtimer een elitaire hobby maken. Dat was het voor een groot gedeelte ook al. Wat meer belasting voor de rijken is voor hun minder erg. En voor ‘echte’ oldtimers hoeft nog steeds geen belasting te worden betaald.

Maar een groot aantal eigenaren van een ‘jonge’ oldtimer gebruikt deze als ‘eerste auto’. Deze mensen hechten vooral belang aan zo goedkoop mogelijk auto rijden. Velen van hen rijden een toch wel luxe Mercedes. Het was niet zo zeer de liefde voor de oldtimer, waarom ze ‘m reden. Het bewijs is hiervoor is dat in 2013, vanwege de aankondiging van de nieuw belasting, 60 % meer oldtimers zijn gesloopt naar ruim 7.300. Ook werden er vorig jaar 128 % meer oldtimers uitgevoerd (14.115 stuks). Eerdere jaren geleden werden er vooral ‘jonge oldtimers’ geïmporteerd.  Zo bezien heeft de nieuwe belasting al een heel behoorlijk positief effect gehad.

Voor deze categorie weggebruikers is het goed dat het profiteren van geen wegenbelasting betalen is verminderd. Zo worden er momenteel ook veel gastanks uitgebouwd. Deze automobilisten hebben tot voor kort extra geprofiteerd van de lage prijs van LPG en ze hoefden niet de hoge wegenbelasting te betalen die normaal wordt geheven over ‘auto’s op gas’. Terecht dat hier een eind aan is gekomen, want het is gewoon niet rechtvaardig ten opzichte van mensen die wel wegenbelasting betalen.

Deze belastingmaatregelen gaan eigenlijk nog niet ver genoeg. De auto’s waarvan de gastank nu is uitgebouwd, rijden op benzine, maar mensen betalen hiervoor nog steeds minder belasting dan de eigenaren van jongere benzineauto’s. Daarbij is het de vraag of deze oude auto’s wel aan de randvoorwaarden voor luchtvervuiling voldoen. Met andere woorden: ze zijn minder zuinig en hebben waarschijnlijk geen katalysator. Voor de meeste oldtimers die op diesel rijden, zou een roetfilter verplicht moeten zijn, wil men korting kunnen claimen. Het zo goedkoop mogelijk willen rijden en vooral zo weinig mogelijk belasting betalen is eigenlijk het eigenbelang boven het belang van de samenleving stellen.

Dit stukje is o.a. gebaseerd op berichten in de Limburgse regionale kranten van 11 januari 2014.

dinsdag 7 januari 2014

Doden Cambodjaanse textielarbeiders komt erg dichtbij.



Er zijn felle protesten gaande in Cambodja. Textielarbeiders strijden voor een hoger loon. Wat vreedzaam begint, dreigt (zoals zo vaak) fors te escaleren. Protesten worden door de politie gewelddadig neergeslagen.
De looneisen van de textielarbeiders, die vaak onder erbarmelijke omstandigheden leven, zijn voor hun van levensbelang. Ze willen bijna een verdubbeling van € 60 per maand naar € 115. De overheid, die de werkgevers steunt, wil niet verder gaan dan € 75 per maand. Waar hebben we het over? Een loon van ver onder één euro per uur (zeker als je rekening houdt met extra lange werkweken). Reken die loonkosten eens om naar één product, dan is dat over het algemeen minder dan één procent van de verkoopprijs.

Maar ja, Cambodja is ver weg, bijna aan de andere kant van de wereld. Of is dit probleem een heel stuk dichterbij? Textiel is het belangrijkste exportproduct van Cambodja. Veel van de gemaakte kleding is te koop in winkels die we erg goed kennen, zoals H&M. En draagt de merken van Puma en Levi’s.  De regering van Cambodja kiest de kant van de fabrieksbazen omdat die dreigen het land te verlaten als de lonen te hoog worden. Pure chantage. Maar die directies en eigenaren kunnen alleen zo redeneren als ze gedekt worden door, of zelfs opdracht krijgen van hun opdrachtgevers.

Dit aan slavernij grenzend kapitalisme bestaat nog steeds anno 2014. Gewetenloos winstbejag. En het is nog wijd verspreid over de wereld. Nog vers in het geheugen ligt de ramp begin vorig jaar van het  instorten van de kledingfabriek Rana Plaza in Savar, een voorstad van Dhaka, Bangladesh, waarbij meer dan 1.100 mensen omkwamen. Ook hier erbarmelijke werkomstandigheden en veel te lage lonen. In Bangladesh werd Primark met name genoemd.

Het zijn geen uitwassen in Cambodja, Vietnam en Bangladesh. Is het nog voor een belangrijk deel de normale gang van zaken, eerder regel dan uitzondering in de kledingbranche? Er zijn veel bedrijven bij betrokken. Het lijkt wel doping in de wielersport: “Ik kan alleen winnen als ik doping gebruik omdat iedereen het doet”. Het zijn dezelfde bedrijven die met mooie (dure) reclame een prachtig wereldbeeld schetsen van welvaart en sportiviteit. Het zijn waarschijnlijk ook dezelfde multinationals die door slimme constructies en benutten van belastingparadijzen zoals Nederland, zo weinig mogelijk belasting betalen. Wat staan die bedrijven ver af van ‘verantwoord maatschappelijk ondernemen’ met hun cultuur van graaien zoals de op bonussen beluste bankmedewerkers.

Er is wel een kentering gaande? De kledingzaak Charles Vögele gaf aan lid te zijn van Business Social Compliance Initiative. Zo zijn ze verplicht regelmatig audits door te laten voeren. Charles Vögele werkt alleen met textielfabrikanten samen die de BSCI-Gedragscode accepteren. Deze code is gebaseerd op het principe dat bedrijven de wetten en voorschriften van de betreffende landen volgen. Daardoor zijn onder andere de arbeidsvoorwaarden volgens contract geregeld en wel in overeenstemming met de Conventies van de International Labour Organization (ILO).

Verdienen zij en andere kledingzaken hiermee het voordeel van de twijfel? Want de twijfels zijn niet hiermee volledig bij mij weggenomen. De wetten en voorschriften van het betreffende land worden (vanzelfsprekend) gevolg, maar wat als die onvoldoende bescherming bieden? Zie de houding van de Cambodjaanse regering. En worden er voldoende controles uitgevoerd op de naleving en zijn die wel voldoende waterdicht? Zijn er onderaannemers in het spel die zich weer onttrekken aan deze controles? Je hoort namelijk geen positieve berichten uit die landen dat het er nu zoveel beter gaat.

Maar Cambodja is nog dichterbij. Wij als consumenten doen hier aan mee en houden het systeem daarmee in stand. We hebben voor een belangrijk deel onze economie en onze welvaart gebouwd op de lage lonen van anderen. We profiteren met zijn allen van de lage lonen van Polen, Bulgaren en Roemenen hier en van de lage lonen overal ter wereld via de producten in onze winkels.
Ik ben daarbij geen voorstander van het niet meer kopen van die producten. Al die mensen die ze produceren hebben liever wel dan geen werk. Maar ik ben absoluut voorstander ervan dat iedereen een fatsoenlijk loon verdient, waarmee hij/zij ook het gezin kan onderhouden, de kinderen naar school kan laten gaan, redelijk behuisd is enz. Daar zijn de producenten in de gehele keten verantwoordelijk voor.

Harrie Winteraeken 

Ps.: Dit stukje is een reactie op het artikel ‘Kalasjnikovs op textielarbeiders’ in de beide regionale kranten van 4 januari 2014.
Ps. 2: Ik heb het bericht van Charles Vögele ter informatie gepubliceerd hieronder op mijn weblog.

Kledingzaak Charles Vögele doet tenminste poging verantwoorde productie.




Kledingzaak Charles Vögele doet tenminste een serieuze poging verantwoording te nemen voor de productie van kleding die ze verkopen en die wordt geproduceerd in Bangladesh en andere lagelonenlanden. Het antwoord is overigens ongeveer een half jaar oud, maar werd relevant gezien het hierna gepubliceerde stuk op Cambodja.


Beste meneer Winteraeken,


Charles Vögele produceert ca. 90% van de kleding in Azië, waarvan 40% in Bangladesh. Charles Vögele heeft echter geen kleding geproduceerd bij de textielfabrikant die door het ongeluk getroffen is.  

Uiteraard is Charles Vögele als onderneming, die onder andere in Bangladesh produceert, zich bewust van haar verantwoordelijkheid. Door het lidmaatschap bij de Business Social Compliance Initiative zijn wij verplicht, regelmatig BSCI-Audits door audit-firma´s door te laten voeren. Charles Vögele werkt alleen met textielfabrikanten samen, die de BSCI-Gedragscode accepteren. Deze code is gebaseerd op het principe dat bedrijven, die goederen voor Charles Vögele maken, de wetten en voorschriften van de betreffende landen volgen. Daardoor zijn onder andere de arbeidsvoorwaarden volgens contract geregeld en wel in overeenstemming met de Conventies van de International Labour Organization (ILO), de universele verklaring van de mensenrechten van de Verenigde Naties, de UN-Kinderrechtconventie als ook de Conventie ter bestrijding van elke vorm van vrouwendiscriminatie (CEDAW), de UN Global Compact en de OECD-Richtlijnen. Ook deze richtlijnen zijn een vast bestanddeel van het leveranciersverdrag en regelen de nakoming van sociale minimumnormen. Verder is de Charles Vögele groep reeds sinds 2001 officieel lid van de mensenrechtenorgansatie Social Accountability International (SAI), gezeteld in New York. Deze organisatie is de uitgever en beheerder van de internationaal erkende Social Accountability 8000.


Naast bovenstaande beschikt Charles Vögele ter plekke over eigen bedrijfsauditors, die regelmatig controles bij leveranciers uitvoeren en deze bij de omzetting van diverse Corporate Social Responsibility thema´s ondersteunen. Ook de nakoming van de Occupational Health & Safety richtlijnen wordt regelmatig en onaangekondigd gecheckt. Zo worden de leveranciers 5 tot 6 keer per jaar (ook onaangekondigd) gecontroleerd en worden er 3 tot 4 keer per jaar zogenaamde „Fire-Audits“ doorgevoerd. Uiteraard ondersteunen wij de leveranciers bij de implementatie van deze richtlijnen en de opvolging ervan. Bij niet nakomen van de afspraken kan de samenwerking met een leverancier, die de veiligheidsrichtlijnen niet opvolgt, worden beeindigd.

Ik hoop dat ik hiermee uw vraag beantwoord heb.




Met vriendelijke groet,

I.v.L. (Assistant tot the General Manager, Utrecht)



Bovenstaand is de reactie op het onderstaande bericht van mij aan Vögele:


Beste mensen,

ik kocht op zaterdag 27 juli in uw filiaal in Hoensbroek een broek en een overhemd die zijn gemaakt in Bangladesh. Nu heb ik niets tegen import uit ontwikkelingslanden. Een goede manier om de situatie daar te kunnen verbeteren is produceren en handel drijven om zo geld te verdienen (één van de Millenniumdoelen).
Zoals u zeer waarschijnlijk weet, zijn de arbeidsomstandigheden aldaar vaak zeer slecht. En gebeuren er op de werkvloer soms verschrikkelijke dingen, zoals bijvoorbeeld de grote ramp van het instorten
van het gebouw Rana Plaza in Savar, een voorstad van Dhaka, Bangladesh, waarbij meer dan 1.100 mensen omkwamen. Dit heeft veel mensen de ogen geopend.

Ik vind het best dat we mogen profiteren van lage prijzen, maar niet zodanig laag dat het ten koste gaat van vreselijke en uitzichtloze armoede bij de producenten en vooral hun werkneemsters.
Vandaar dat ik u vraag naar uw beleid voor lonen en arbeidsomstandigheden bij uw kledingproducenten en hun eventuele onderaannemers. Let u er (inmiddels) op dat hier een menselijke maat in acht wordt genomen en dat we wel een eerlijke prijs betalen?

Alvast bedankt voor uw reactie,

met vriendelijke groet,

Harrie Winteraeken